Rasinformatie

In met name heel zuidelijk en oostelijk Europa ziet men grote, vaak witte, honden bij de schaapskudden: Cane di Pastore Maremmano et Abruzzese, Tornjak, Molossos tis Epirus, Kaukasische Owcharka, Akbash, Kangal zijn hiervan een paar voorbeelden. Hun taak was - is - om de schaapskudden te begeleiden en te beschermen tegen wolven, beren en andere aanvallers. Overdag zijn deze honden vaak minder actief doch tegen het invallen van de duisternis veranderen ze van houding en nemen hun taak meer dan serieus. 

Beide rassen zijn zeer oud in het land van herkomst. Vaak wordt gedacht dat deze kuddebewakers afstammen van de voorlopers van de Tibetaanse Mastiff; ook andere theorieën zijn veelgehoord. De verwantschap van Mastin Español en Mastin del Pirineo enerzijds is duidelijk; ook is er verwantschap met de Pyrenese Berghond, maar deze verschilt in veel details duidelijk van de Mastin del Pirineo.

 

Rasinformatie Mastin del Pirineo


De consolidatie van het ras begon aan het midden van de jaren veertig en duurde tot eind van de jaren zeventig, toen de Spaanse rasvereniging de CMPE werd opgericht. Mede dankzij de heer Rafael Malo Alcrudo is de stabiele populatie van heden tot stand gekomen. Het is één van Spanje’s nationale rassen. De Mastin del Pirineo is een uitstekende waak- en gezelschapshond. Hij komt buiten het land van herkomst weinig voor. In Nederland leven momenteel ca. 45 honden, in Duitsland een gelijk aantal, terwijl in de voormalige Oostbloklanden een toenemende interesse voor deze honden is te bespeuren. In Scandinavië is een beduidend groter aantal honden aanwezig dan in West-Europa.

Rasstandaard, vastgesteld 26 mei 1982: Op de site van de Spaanse club is de standaard in de Spaanse taal te lezen: www.cmpe.net/estandar.php Een vertaling hiervan geeft slechts bij benadering aan hoe men tegen de raskenmerken in het land van herkomst aankijkt.
Vertaald in het Nederlands (ps) luidt deze standaard als volgt:


KLASSIFICATIE FCI: nr. 92 groep 2: Pinschers en Schnauzers, Molossers, Zwitserse Sennenhonden en andere rassen. sectie 2.2 (molossoïde berghonden).


GEBRUIKSDOEL: Bewaking en verdediging; vroeger werd de Mastin del Pirineo gebruikt voor de verdediging tegen roofdieren, met name de beer en de wolf. Tegenwoordig is het een uitmuntende bewaker van landgoederen en hun bewoners; hij is gemakkelijk op te voeden.


ALGEMENE VERSCHIJNING: Het betreft een zeer groot hondenras van een bovengemiddeld formaat en van gemiddelde proporties. Harmonisch en uitgesproken krachtig en gespierd. De vacht is niet uitgesproken lang. Stevig beendergestel. Ondanks zijn afmetingen mag hij niet de indruk wekken log en traag te zijn.

BELANGRIJKE PROPORTIES:

  • Structuur van gemiddelde proporties. De hond is in al zijn verhoudingen zeer uitgebalanceerd en harmonisch.
  • Hij is iets langer dan hoog: de lengte van het lichaam bedraagt slechts weinig meer dan zijn schofthoogte.
  • De lengte van de schedel verhoudt zich tot de lengte van de voorschedel als 5 : 4.
  • De schedelbreedte is minstens gelijk aan de lengte, liefst groter. De verhouding schofthoogte tot borstomvang is circa 7 : 10.

GEDRAG/KARAKTER (AARD): Vriendelijk tegenover mensen, rustig, edel en zeer intelligent, hij is zowel moedig als trots tegenover vreemden voor wie hij nimmer zal wijken. Hij heeft een goedige aard tegenover andere honden en is zich bewust van zijn superieure kracht. Indien noodzakelijk vecht hij met een grote behendigheid, hier komt zijn vroegere aard naar boven, afkomstig van eeuwenlange gevechten met de wolf en beer. Zijn donkere blaf komt diep uit zijn borst, hij heeft een pientere expressie.


KOP: Groot, krachtig, matige lengte. De lengte van de schedel verhoudt zich tot de neusrug als 5 : 4. De lengteas van de schedel en de neusrug lopen minimaal uiteen of zijn parallel aan elkaar. Van boven af gezien moeten de kop en de neusrug lang en gelijkmatig gevormd zijn, zonder duidelijk verschil in breedte bij het begin van de neusrug en bij de slapen. Van de zijkant bekeken, dient de kop diep en zonder deuken te zijn.
Voorhoofd
Schedel: Breed, krachtig in profiel bekeken licht bolrond. De schedel is net zo breed als lang of iets breder dan lang. Hij heeft een duidelijke occiput.
Stop: Matige stop, doch duidelijk zichtbaar.

Voorschedel:
Neusspiegel: Zwart, vochtig groot en breed.
Voorschedel: Neusrug van de zijkant bekeken recht. Van boven af bezien is de neusrug licht driehoekig, dusdanig dat deze vanaf het begin tot aan de neusspiegel langzaam en toenemend afloopt, echter zonder spits te worden.
Lippen: Zonder enige slapte dient de bovenlip de onderlip te bedekken. De onderlip vormt een opmerkelijke mondhoek. Slijmhuid dient zwart te zijn.
Kaak en tanden: Schaargebit. De tanden zijn wit, krachtig en gezond. Hoektanden groot, lang en spits en grijpen kort op elkaar in om de buit te bevatten. Kiezen groot en krachtig, snijtanden daarentegen klein, alle premolaren dienen aanwezig te zijn. Het gehemelte is zwart met uitgesproken dwarsribbels.
Ogen: Klein, amandelvormig, hazelnootkleur, donkere ogen verdienen de voorkeur. De expressie is attent, edel, sympathiek en intelligent doch bijzonder streng ten aanzien van tegenstanders. De oogleden zijn zwart gepigmenteerd. Wanneer de hond attent is, worden de oogleden aangetrokken; in rust kan het onderlid een lichte slapheid vertonen waarbij enig bindweefsel zichtbaar wordt.
Oren: Gemiddelde grootte, driehoekig kort aanliggend en hoger aangezet dan de ogen. In rust liggen de oren dicht tegen de wangen. Wanneer de hond attent is, dan staan zij duidelijk van de wangen af en zijn zowel in het bovenste als het onderste gedeelte deels omhoog gericht. De oren mogen niet gecoupeerd worden.

Hals: Heeft de vorm van een afgeknotte kegel, breed, krachtig, gespierd en beweeglijk. De huid is dik en ietwat los. Dubbele goed ontwikkelde, doch niet overdreven geprononceerde keelhuiden.

LICHAAM: Rechthoekig, kolossaal en robuust, een indruk van grote krachtgevend, echter soepel en behendig.
Toplijn: Recht, ook in beweging horizontaal blijvend.
Borst: Goed geprononceerd.
Rug: Krachtig, gespierd.
Lendenen: Lang, breed en krachtig, naar de flanken toe smaller wordend.
Kruis: Breed en sterk. De horizontale hoek bedraagt 45°. De hoogte van het kruis is gelijk aan de hoogte van de schoft.
Borst: Breed en diep, gespierd en kolossaal. Het borstbeenpunt steekt naar voren. De ruimten tussen de ribben is breed; de ribben zijn rond, niet recht. Verhouding tussen schofthoogte en borstomvang is 7 : 10.
Onderlijn en buik: Buik is matig opgetrokken, flanken diep en erg breed.

STAART: Middelhoog aangezet, bij de aanzet dik, krachtig en flexibel. Het haar is duidelijk lang, zacht en duidelijk bevederd. In rust hangt de staart laag en reikt gemakkelijk tot het spronggewricht; het onderste derde deel is altijd licht gebogen. Wanneer de hond in beweging is, wordt de staart als een sabel gedragen, met een duidelijke haak aan het uiteinde, doch mag niet geheel gebogen zijn of boven de rug gedragen worden.

LEDEMATEN:
Voorhand: van voren gezien volledig loodrecht en parallel. Spieren en zenuwen zijn duidelijk zichtbaar. De lengte van het onderbeen is het drievoudige van de lengte van het voorste middelvoetsbeen. Goede botsterkte, middelvoetsbeen krachtig.
Schouders: Goed gespierd; schouders recht, langer dan het onderbeen. Hoek schouderblad/ bovenbeen is ongeveer 100°.
Bovenbeen: Zeer krachtig. Hoek bovenbeen/onderbeen is ongeveer 125°.
Ellebogen: Krachtige botten, tegen de borstkast aanliggend.
Onderbeen: Krachtig bot, recht.
Middenvoetsbeen: Van de zijkant bekeken een beetje schuin, praktisch in het verlengde van het onderbeen.
Voorpoten: Kattenvoet, tenen nauw, met krachtige en hoog gewelfde tenen. Nagels en voetzolen krachtig en taai. Tussenteenhuid matig ontwikkeld en behaard.

ACHTERHAND:
Algemeen: Machtig gespierd. Van de zijkant bekeken zijn de hoekingen gepast. Van achteren en van opzij gezien loodrecht. Middenvoet loodrecht. De achterhand moet de hond in staat stellen lichtvoetig de benodigde tred met grote kracht en elegantie te verstrekken.
Bovenbeen: Krachtig en gespierd. De hoek van het heupgewricht bedraagt circa 100°.
Kniegewricht: De hoeking tussen dijbeen en scheenbeen bedraagt ongeveer 120°.
Onderbeen: Lang, flink gespierd en stevig beknookt.
Spronggewricht: De hoek, uitgaande van verticaal staande middenvoetsbeenderen bedraagt circa 130°.
Middenvoetsbeenderen: Goed ontwikkeld met duidelijk zichtbare Achillespezen. Hubertusklauwen enkel of dubbel aanwezig; deze mogen ontbreken. Verwijdering is toegestaan. Bij een overige gelijke waardering hebben honden met dubbele Hubertusklauwen de voorkeur.
Achterpoten: Kattenvoet, gering ovale vorm en iets langer dan de voorpoten.

GANGWERK: Draf heeft de voorkeur, deze dient harmonisch en krachtig te zijn en niet de neiging hebben zijwaarts uit te wijken. Telgang niet gewenst.

HUID: Elastisch, dik roze van kleur met donkere gepigmenteerde plaatsen. De slijmhuid dient zwart te zijn.

BEHARING:
Haar: Dicht en dik, lengte is matig. De ideale lengte, gemeten op het middelste gedeelte van bovenlijn, bedraagt 6 tot 9 cm; dit is langer bij de schouder, aan de hals, onder de buik, aan de achterzijde van de benen en aan de staart, de structuur van dit langere haar is minder borstelig dan op de overige plaatsen van het lichaam. Het haar is stekelachtig, niet wollig.

KLEUR: De basiskleur is wit, altijd met een duidelijk masker. Vaak zijn er op het lichaam onregelmatige duidelijke aftekeningen van dezelfde kleur als het masker. De oren zijn altijd gekleurd. Driekleurige of zuiver witte exemplaren zijn minder gewenst. Het einde van de staart als ook de onderste delen van de ledematen zijn altijd wit. Het masker dient duidelijk afgebakend te zijn. Het is een voordeel indien de rand van de vlekken duidelijk omlijnd is. De aanzet van de haren moet zo licht mogelijk zijn, ideaal is het wanneer dit helemaal wit is.
De meest gewaardeerde kleuren zijn, in volgorde van voorkeur, helemaal wit (sneeuwwit) met middengrijze, intensief goedgele, bruine zwarte, grijszilvere, lichtbruine, zandkleurige of marmerachtige vlekken. Ongewenst zijn rode vlekken en een witgele basiskleur.

HOOGTE: Het ras kent geen maximummaat, bij een gelijke beoordeling krijgen de grotere exemplaren altijd de voorkeur.
Minimum maat: Reuen 77 cm / Teven 72 cm.
Het is echter gewenst, dat de honden deze minimummaat duidelijk overschrijden. Reuen dienen hoger te zijn dan 81 cm en teven hoger dan 75 cm.

FOUTEN: Elke afwijking van de hierboven genoemde punten moet als een fout worden aangemerkt, waarvan de beoordeling in de juiste verhouding tot de mate van afwijking dient te geschieden.

LICHTE FOUTEN:

  • Van de zijkant bekeken een licht gewelfde neusrug.
  • Tanggebit, ontbrekende premolaren.
  • Toplijn niet recht, golfachtige bewegingen zonder te overdrijven.
  • Haar in het middendeel van de toplijn langer dan 9 cm, golvend.
  • Lichte schuwheid.

ZWARE FOUTEN:

  • Totaalbeeld zwak of traag.
  • Neusrug taps toelopend of bovengemiddeld stomp.
  • Matige ondervoorbeet.
  • Ontbreken van verschillende premolaren of hoektanden anders dan door een ongeluk.
  • Een geringe fout in de sluiting van de snijtanden.
  • Uitgesproken entropion of ectropion.
  • Gecoupeerde oren.
  • Lichte zadelrug.
  • Achterhand beduidend hoger dan de schoft.
  • Over de achterhand liggende staart, staart zonder aanmerkelijke bevedering, ontbrekende haakvorming aan het einde van de staart, gecoupeerde staart.
  • Ledematen niet loodrecht.
  • Algeheel zwak gangwerk en zwakke poten.
  • Koehakkige spronggewrichten, zowel in stand als in de beweging.
  • Zijwaartse bewegingen van het gangwerk.
  • Haar sterk gegolfd of gekruld, het haar in het middendeel van de bovenlijn korter dan 6 cm of langer dan 11 cm.
  • Afwezigheid van vlekken op de oren.
  • Niet evenwichtige aard.

DISKWALIFICERENDE FOUTEN:

  • Schuwe, angstige of agressieve honden.
  • Afwezigheid van pigment op de neusvleugel en slijmhuid.
  • Splijtneus.
  • Duidelijke boven- of ondervoorbeet.
  • Haar in het middendeel van de bovenlijn korter dan 4 cm of langer dan 13 cm.
  • Ontbreken van de witte kleur, wit uiteinde aan de staart of ontbreken van witte kleur op de onderste delen van de ledematen.
  • Onduidelijk begrenzingen van vlekken waardoor deze slecht afsteken van de basiskleur en waardoor een kruising met een ander ras aannemelijk is.

NB. Reuen dienen twee volledig ontwikkelde teelballen te hebben, die volledig afgedaald in de balzak dienen te zijn.

 

Copyright © 2009 Mostin Aragoleon / website realisatie: Design-Pure & Simple